Etnografica Afrika 

Etnografica Afrika De kijk van de westerse mens in de eerste helft van de 20ste eeuw naar Primitieven culturen.
Drie wijd verbreide misverstanden ten aanzien van de kunst van primitieve volken dienen nadrukkelijk te worden afgewezen. 1) Primitieve kunst is geen volkskunst in onze zin van het woord. Hiermee is niet gezegd, dat volkskunst bij de primitieve culturen niet zou bestaan. 2) Primitieve kunst kan niet worden vergeleken met de kunst van kinderen, evenmin als de zgn. primitieve mens iets zou hebben te maken met onvolgroeidheid van het kind stadium wat natuurlijk onzin is. 3) Primitieve kunst kan niet worden vergeleken met kunst van zgn. onvolwaardige mensen. Men heeft de primitieven in het algemeen en de primitieve kunst in het bijzonder vooral met schizofrenen en hun kunstvoortbrengselen willen vergelijken.”De gemiddelde beschouwer in het Westen voelde zich ver verheven boven deze zonderlinge kunst en naar zijn smaak hoogst onbehouwen producten en ook de kunstenaars hadden geen oog voor andere esthetische waarden dan de visuele en rationele. Wat dit betreft deelde de primitieve kunst eenzelfde lot in de waardering als de Europese der Middeleeuwen”([1]) . Als we bv. het masker nemen, het kan een zekere lichte hypnotische werking hebben, dat vinden we in Afrika maar ook bij Sepik maskers of beelden. In zijn boek “Homo Ludens” merkte Huizinga op dat de esthetica een mengsel is van , “Schoonheid, Afschrikwekkendheid en geheimzinnigheid”
 
Ons westerse begrip t.a.v. kunst en kunstenaar in relatie tot de primitieven culturen;
Wij als westerlingen hanteren het begrip ‘kunst’ met betrekking tot voorwerpen uit primitieve culturen die appelleren aan ons gevoel voor schoonheid. Het is echter goed te bedenken dat het begrip kunst in deze culturen niet voor komt. Voor de meesten primitieve volkeren heeft het maken van voorwerpen die wij “kunst”noemen vaak een religieus doel en geen eeuwigheids waarde. Zo is voor de Aika van Oost Nieuw Guinea is ‘kunst’, “iets wat je naar de keel grijpt”. De Abelam van Noord Nieuw Guinea, bekend om hun polychrome beelden en schilderingen, gebruiken de term “Maira” waarmee alle heilige voorwerpen worden aangeduid. Met deze term wordt op uiterst directe wijze de wezenlijke inhoud aangegeven: beelden, maskers en schilderingen zijn immers geen kunstwerken in de westerse zin, doch bezielde wezens ( voorouders, geesten, en mythische figuren) of althans voorwerpen die tijdelijk van de kracht van dergelijke wezens vervuld zijn. Volgens een vooraanstaande Abelam kunstenaar zijn dergelijke voorwerpen echter niet de mooiste. Bij de Kwoma van het Boven Sepik gebied, Nieuw Guinea, worden vooraanstaande houtsnijders en schilders “childeren of the adze and the brush” genoemd. (Bowden 1983). Mogelijk dat de gedachte dat het gereedschap waarmee kunstenaar werkt, bezield is en gepersonifieerd wordt, bij deze aanduiding een rol speelt. De Elema van de golf van Papoea spreken over de kunstenaar als “Mai Evera Haera” of wel “de man met de delicate hand” . Op de Trobriand eilanden worden verschillende termen gebruikt om graduele verschillen aan te geven tussen wat wij een ambachtsman en een kunstenaar noemen; “kegi vayela”, “hij die de stem volgt” is de aanduiding van een ambachtsman die weliswaar over een goede techniek beschikt, maar in zijn werk toch niet tot een vloeiend ritme komt en die geen initiatieven ontplooit, in tegenstelling tot de geïnspireerde kunstenaar die over “sope” (letterlijk, Water) beschikt, een magische kwaliteit waardoor de motieven als het ware vrij en op een natuurlijke manier uit hem vloeien. Een dergelijke kunstenaar herhaalt zich ook niet in zijn werk, en hij hoedt zich er voor minder belangrijke opdrachten aan te nemen. ([2]).
S.P. de H.

[1] W. Jos de Gruyter, “Schouwend oog”, besprekingen en beschouwingen, p.60., uitg. Bert Bakker, Den Haag, 1956.
[2] .Sculptuur uit Afrika en Oceanië, Tent. Cat. Rijksmuseum Kröller- Müller, Otterloo, 1990.

Stuur e-mail



* Invoer verplicht
Website by Tomston
click analytics